Geduld – deel 1

Als de haast het grootst is, is het geduld nabij

Wanneer we vragen naar de verhouding tussen wetenschap en levensbeschouwing dan is een zekere afstand, die op een onder­scheid tussen beide duidt, reeds voorondersteld. Het dualisti­sche karakter van deze vooronderstelling geeft echter reeds blijk van een verregaande verwetenschappelijking van ons denken.

Tot ver in de Middeleeuwen had de vraag naar de ver­houding tussen wetenschap en levensbeschouwing onmogelijk gesteld kunnen worden, omdat er geen enkele afstand was tussen levens­beschouwing, i.c. het christelijk geloof, en wetenschap; al het wetenschappelijke kennen werd nog geheel en al ingepast in de kerkelijke geloofsdoctrines. Van een verhouding tussen geloof en wetenschap kon geen sprake zijn, want de wetenschap kon slechts bevestigen wat door geloofsopenbaring al bekend en zeker was: ware kennis was de door het geloof geopenbaarde kennis.

Pas aan het einde van de Middeleeuwen ontstaat er een scheur in deze eenheid van geloof en wetenschap die door afnemende macht van de kerk snel groter wordt en uiteindelijk tot een definitieve breuk zal leiden. Vanaf dat moment kan men gaan spreken van een verhouding tussen het geloof, i.e. de christe­lijke levensbeschouwing, en de wetenschap, waarbij deze ver­houding dan al meteen aan de kant van de wetenschap beslist is, omdat vanaf dat moment de wetenschap beslist wat ware kennis is.

Wanneer wij dan nu vragen naar de verhouding tussen weten­schap en levensbeschouwing dan zijn wij al opgenomen in het weten­schappelijke denken dat een dergelijk vragen mogelijk maakt, want pas met de opkomst van het weten­schappelijke denken is er een afstand tussen geloof en weten­schap zichtbaar geworden, een afstand die pas zicht­baar kon worden dankzij het wetenschappelijke waarheids- of kennis­cri­terium (de vraag naar de verhouding is een rationele vraag, dat is een vraag naar de ratio). De vraag naar de ver­houding tussen wetenschap en levensbe­schouwing of geloofsover­tuiging moeten we dan ook begrijpen als een uitdaging aan de geloofsovertuiging om haar onafhankelijke bestaansrecht tegenover de weten­schap te verde­digen. Ik neem de handschoen op en zal verdedigen dat de geloofsovertui­ging ons iets terug kan geven wat de wetenschap ons eerst ontnomen heeft. Ik zal hierbij de joods-christelijke levensbeschouwing als uitgangspunt nemen, overigens zonder daarbij andere levensbeschouwingen af te wijzen.

Wetenschap is, zoals het woord al aangeeft, de discipline die zich bezighoudt met wat er zoal te weten valt; ze is op zoek naar ware kennis en tevens beslist ze over wat als ware kennis mag gelden en wat niet. Kennis heeft heden ten dage de vorm van informatie. We ervaren dit dagelijks wanneer we achter de tv zitten, de krant lezen, of op het internet surfen. Iedereen begint te beseffen dat informatie en geïnfor­meerd zijn van levensbelang is; wie niet op de hoogte is, niet geïnformeerd is, die telt niet mee. Maar het scherpst kunnen we het mis­schien nog wel zien aan de totale mobilisering van het indivi­du dat zich uit op alle niveaus van het bestaan: iedereen dient voor alles en iedereen op ieder moment beschik­baar te zijn door zich middels allerlei netwerken, zoals bijvoorbeeld een mobiel telefoonnetwerk, met anderen te ver­binden.

Deze beweging, de mobilisering, wordt gevoed door de voort­ra­zende machi­nerie van de wetenschap die door voortgaande infor­matisering de hele wereld in beeld wil brengen en haar als informatie beschik­baar wil stellen; het weten van de weten­schap is gele­gen in de bewerkstelliging van de beschik­baarheid van informa­tie van al wat is, van al het zijnde, met het oog op de be­heersbaarheid van al het zijnde. Niet alleen de dingen en de verschijnselen, maar ook de mens en ieder afzonderlijk individu worden door de wetenschap uitgedaagd zich als infor­matiebestanden beschikbaar te stellen, dat is mobiel te zijn.

De (wetenschappe­lijke) eis tot beschik­baar­heid voltrekt zich in de regulatie van het verkeer van goede­ren, personen en informatie, en niet alleen van het verkeer op een al dan niet digitale snelweg, ze vol­trekt zich ook in een verregaande liberalisering van de markt, die voor het leeuwen­deel een informatiemarkt is. Deze libera­lisering roept mens en ding op zich prijs te geven als bestel­baar bestand, ieder mens moet zich als arbeider schikken in het arbeidersbestand, want waarde bewijst zichzelf vanuit werk­zaamheid – wat werkt is waarachtig en waardig – en het enige dat werkelijk waarde heeft is informatie.

Het pragmatisme van de huidige wetenschap houdt dus in dat ook de menselijke waardigheid is gelegen in zijn werkzaamheid als informatiebestand. Maar naarmate de mens meer geïnformeerd en geïnformatiseerd is, naarmate hij zichzelf meer en meer als informatiebestand en arbeider moet prijsgeven, lijkt hij ook meer en meer van zijn vrijheid te moeten prijsgeven. Deze beknotting van de menselijke vrijheid is een inperking van zijn mogelijkheden. Zo is hem bijvoorbeeld de mogelijkheid van een onomstotelijk fundament voor zijn handelen ontnomen, omdat met het opkomen van het pragmatisme de noodzaak voor een dergelijk fundament is weggevallen. We zien dit bijvoorbeeld in de medische ethiek: De (technische) mogelijkheid een men­senleven tot in lengte van dagen te rekken bijvoorbeeld is vaak al de voldoen­de voorwaarde voor de uitvoering ervan, omdat een toereikend criterium voor de beslissing over een mensenleven niet voor­handen is en een natuurlijke dood al evenmin.

Maar in het razen van de informatisering is ons nog iets veel wezenlijkers ontnomen, waar ik hier dan ook vooral de aandacht op wil richten, namelijk de tijd. Het mes snijdt hier aan twee kanten: enerzijds produceren wetenschap en techniek zo’n gigantische en onoverzichtelijke hoeveelheid informatie dat het onmogelijk is om meer dan een heel klein beetje van deze informatie te verwerken. Dit betekent dan dat we dus een keuze moeten maken uit het informatie-aanbod, maar ook hier ontbreekt het ons aan een onveranderlijk en beslissend crite­rium op basis waarvan wij een dergelijke selectie zouden kunnen maken. Anderzijds is de mens niet alleen overgeïnfor­meerd, maar hij is, zoals reeds gezegd, zelf ook geïnformati­seerd, d.w.z. dat de mens geroepen is ook zichzelf als infor­matiebestand beschikbaar te stellen, te weten als arbeider op de arbeidsmarkt, die slechts een onderdeel is van de allesom­vattende informatiemarkt. Beide kanten van het mes snijden in zijn vrijheid, dat is in zijn beschikbare tijd. Door de onaf­wendbare stroom informatie die onophoudelijk op ons afkomt, vindt een verenging van de tijd plaats. De verwerking van een dergelijke, veelal ongeordende, hoeveelheid informatie is letterlijk tijdverslindend, en bovendien praktisch eindeloos, omdat ze sneller groeit dan wij ze kunnen verwerken. De infor­ma­tiestroom werpt zich als een muur op voor onze levens­loop en dwingt ons als dolenden te zoeken naar een uitweg. Tege­lijker­tijd zijn we als arbei­ders ook nog eens gehou­den aan de plicht tot produceren, dat is onze kennis en vaar­dighe­den in de vorm van informatie naar de markt te brengen, om daar vervolgens weer verder geïnforma­tiseerd en geïnfor­meerd te worden. En zo bevinden wij ons in een (uitdijende) informa­tiekringloop die ons heen en weer slingert tussen consumptie en produktie, een kringloop waaruit geen ontsnapping mogelijk lijkt en die als zodanig al onze tijd als een draaikolk in zich opneemt. De symptomen van onze gevangenschap in deze kringloop en van onze tijdnood zijn genoeglijk bekend als haast en stress, en ook het ongeduld en de verveling zijn symptomatisch voor de ge­nformatiseerde samenleving.

Zoals we weten, is de informatiemarkt ondertussen mondiaal geworden. Hierdoor is het mogelijk geworden dat alle kennis in de wereld op elkaar wordt afgestemd, waarbij de natuurlijke taal dan grotendeels wordt opgeheven en wordt vervangen door het Engels als kunsttaal. De tendens die in deze beweging zichtbaar wordt is een tendens tot eenvormigheid die wordt bewerkstelligd doordat aan elkaar gekoppelde informatie­syste­men en -bestanden zich aan elkaar aanpassen, zodat we de tendens tot eenvormigheid een evolutionaire tendens kunnen noemen. De totstandkoming van een monetaire unie in de zeer nabij toekomst is hier een sprekend en concreet voorbeeld van; het is ontegenzeglijk dat hier ongekende wetten en krachten in samenbundelingen van informatiestromen aan het werk zijn. Eenvormigheid is nu: alle kennis in gelijke munt afrekenen.

Door deze tendens tot eenvormigheid dreigt de wetenschap ieder mogelijk weten in één en dezelfde vorm te gieten, zoals men diverse valuta tot één en dezelfde munt kan slaan. Daarom dreigt de wetenschap ook iedere vorm van levensbeschouwing restloos in zich op te nemen. Ook de levensbeschouwelijke ervaring wordt opgenomen in de informatie, zodat het vreemde, het transcendente of het heilige niet meer kan verschijnen, omdat alles zich dient te openbaren als beschikbare informa­tie; mystieke kennis bijvoorbeeld is hierdoor niet meer moge­lijk.

Voor het christelijk geloof betekent de tendens tot eenvor­migheid dat ze zich tegenover de wetenschap zal moeten verant­woorden, en wel in wetenschappelijke termen. We zien dit dan ook gebeuren. De religieuse taal wordt opgegeven ten gunste van de wetenschappelijke taal. Zo wordt het scheppingsverhaal ofwel ingepast in de evolutietheorie, zodat ze is onderworpen aan de wetten van oorzakelijkheid, ofwel geaccepteerd als een mythisch verhaal dat we beslist niet als een letterlijke realiteit mogen nemen.

Maar niet alleen de christelijke geloofswaarheid past zich in het wetenschappelijke denken, ook God zelf wordt de infor­matiemarkt binnengehaald. De God van het Oude en Nieuwe Testa­ment die zich altijd in het verborgene ophield, lijkt te worden gedwongen zich bloot te geven, of anders naar het rijk der fabelen te worden verbannen. En de moderne christen, oprecht en trouw aan de tijdgeest, sleept zijn God dus maar bij zijn eerbiedwaardige lange grijze haren naar de markt. Radio, TV en internet, geen middel wordt geschuwd om de ‘hei­lige’ waar aan de man te brengen. En de joods-christe­lijke God mag zich verheugen in een waardige concurrentie van Allah, Boeddha, Baghwan, Brahman enzovoort. Eén ding hebben ze alle gemeen, ze moeten zich te allen tijde beschik­baar stellen aan de op koopjes beluste consument. Het geloof wordt commer­cieel, aangepast aan de eisen van het huidige tijdsge­wricht – hoe mooier de verpak­king, des te groter de kans op succes. Het evangelie wordt allen die honge­ren als hapklare brokken infor­matie door de strot geperst, zodat iedere geloofservaring een zekerstel­ling is die de toets der wetenschappelijke kritiek vermag te weer­staan. Zo dreigt God te verworden tot een giga­bestand, onbe­grensd, als een uitdij­end netwerk zo je wilt, dat men via het internet beetje bij beetje kan dowmloaden en voor altijd veilig kan opslaan op een plakje silicium.

Hoewel de informatisering een machtig wapen is in de handen van de wetenschap en wij reeds ontegenzeglijk in haar ban zijn, biedt het geloof, als bijvoorbeeld in de christelijke levensbeschouwing, toch de mogelijkheid ons in een vrije betrekking tot de wetenschap te verhouden. Hiervoor dient het geloof zich tot haar oorsprong in te keren. Het oorspronkelijk geloof, als het aannemen van het gegevene, is een weten dat, in tegenstelling tot het wetenschappelijke weten, niet uit is op een zekerstelling in de vorm van informatiebestanden. Geloven daarentegen is naar zijn oorsprong het vreemde, het transcendente of het heilige toelaten in al z’n vreemdheid, ontdaan van iedere vanzelfsprekendheid.

Iedere levensbeschouwing dient visie, dat is zicht op het leven, op het eigene te geven – en dat is nu juist wat we verloren hebben in de informatisering – een levensbeschouwing moet daarom een bezinning op het leven zijn. Geloven nu, als levensbeschouwelijke bezinning, betekent het aannemen van het eigen leven zoals het is (geïnformatiseerd en wel). Het geloof zoekt een plaats en een zin te geven aan het eigen leven, aan het eigene.

Een radicale herbezinning op de ons overgeleverde waarden is nodig willen we in een vrije betrekking tot onszelf en tot de wetenschap geraken. Iedere bezinning vraagt van ons een pas op de plaats te maken, ze is vreemd aan iedere vorm van vooruit­gangsdenken en kent daarom geen haast; bezinnen betekent tijd nemen om stil te staan, i.c. bij de waarden die ons zijn overgeleverd. De bezinning is radi­caal wanneer zij vraagt naar de wor­tels van de waarden in onze samenleving. Het christendom is in z’n oorsprong zo’n radicale bezinning en heden ten dage kan zij nog steeds een radicale bezinning zijn wanneer we ons richten op de wortels van onze christe­lij­ke waarden, welke nu reeds lang zijn opgenomen in de weten­schap­pelijke waarden. Alleen zo’n radicale bezinning kan ons de tijd teruggeven die we in de informatisering zijn kwijtgeraakt.

Hoe kan het christendom ons in concreto de ons afgenomen tijd teruggeven? In de eerste plaats is het christendom als levensbeschouwing een bezinning op het eigene, dat is op de plaats en de zin van het eigen leven. Als zodanig dwingt het ons stil te staan om ons eigen leven in beschouwing te nemen, want om zicht te krijgen op het eigene moet je kijken en kijken doet men nu eenmaal het best vanuit stilstand. Het christelijk geloof wil zo’n geduldig alleen maar kijken zijn, een onbevooroordeeld kijken dat de dingen de kans geeft zich op hun eigen wijze te laten zien. ‘Wordt als de kinderen’, zegt Christus, want kinderen hebben nog zo’n onbevooroordeelde blik. Door te geloven, aan te nemen wat zich in dit stilstaand kijken aanbiedt, zouden de dingen wel eens op een heel andere manier kunnen verschijnen dan in de wetenschap het geval is. Het bijbelse scheppingsverhaal zouden we dan misschien kunnen begrijpen als het laten veschijnen van de wereld door de macht van het gesproken woord, zoals soms ook nog een dichter een nieuwe wereld weet te scheppen, in plaats van als een door God gestuurde evolutie, waarbij God uiteindelijk overbodig geacht wordt. Misschien is hierin ook wel de schepping van de mens naar Gods beeld en gelijkenis te begrijpen, de gelijkenis namelijk net als God scheppende woorden te kunnen spreken (waarin dan ook de wetenschap is opgenomen!). Wanneer we dit zouden kunnen zien dan beginnen we in een vrije betrekking tot de wetenschap te geraken.

Ten slotte brengt het christelijk geloof een evangelie, een blijde boodschap: Er wordt ons een cadeau aangeboden, een eeuwig leven, we hoeven het slechts aan te nemen en uit te pakken. Zouden we de boodschap van het eeuwig leven als weten­schappelijke informatie tot ons nemen dan levert dat volslagen onzin op, omdat het leven vanuit wetenschappelijk oogpunt altijd tijdelijk is en dus strijdig met de eeuwigheid. Maar het leven is ons al gegeven, is de boodschap, we hoeven het niet na te jagen, want het heeft ons al gevonden.

Opnieuw, het aanvaarden van het leven is slechts een pas op de plaats maken om het in al zijn volheid te ontvangen. De pas op de plaats stelt ons in een vrije betrekking tot de tijd, wanneer wij het leven stilstaand in geloof aanvaarden, ver­liest de tijd zijn grip op ons en zijn wij eeuwig, want het aanvaarden van het leven is tevens het aanvaarden van de tijdelijkheid ervan. ­De tijd zorgt dat het leven duurt. Het aanvaarden van de tijd brengt ons binnen het bereik van de eeuwigheid in die zin dat we de tijd hebben. Het geloof roept op het leven te dragen als het eigen leven, alsook de duur van het leven in de tijd te verduren. Geloven dan is het aannemen en toe­staan van het eeuwig leven. Dit toestaan van het (eeu­wig) duren van het leven noem ik geduld. Vanuit het geloof wordt een roep gehoord om een filosofie van het geduld.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *