Categorie archieven: Over literatuur

RECENSIE – ARNOLD ZIEGELAAR: DE WANDELAAR EN ZIJN SCHADUW

Het wilde denken van Arnold Ziegelaar

In zijn laatste boek, het in 2025 verschenen De wandelaar en zijn schaduw, herneemt filosoof Arnold Ziegelaar de belangrijkste thema’s uit zijn twee voorgaande boeken Aardse mystiek en Oorspronkelijk bewustzijn. In De wandelaar en zijn schaduw werkt Ziegelaar met name zijn notie van een aardse mystiek verder uit, maar in plaats van over aardse mystiek te spreken heeft hij het nu in eerste instantie over het parareligieuze, waarmee zo blijkt aan het einde van het boek, hetzelfde wordt bedoeld. Met beide begrippen wordt verwezen naar ervaringen die niet verwijzen naar iets transcendents of bovennatuurlijks, maar die evenmin zijn uit te drukken in objectieve, wetenschappelijke termen; het gaat om ervaringen die een diepe verbondenheid uitdrukken met de natuur en de ons omgevende kosmos.

Volgens Ziegelaar is de mens niet alleen een rationeel, maar ook een ten diepste religieus wezen. Hierbij moeten we religie begrijpen als het verlangen naar zingevende innigheid, d.w.z. intieme verbondenheid – een bij-elkaar-horen-in-onderscheid –, met de ultieme realiteit. Vroeger was die ultieme realiteit een transcendente god of godheid, maar sinds het moderne denken eind 19de eeuw zijn intrede deed is een dergelijke transcendentie niet langer voor ons toegankelijk. Ziegelaars inzet in De wandelaar en zijn schaduw is dan ook een niet-transcendente maar toch religieuze ervaring.

In het eerste gedeelte leidt De wandelaar ons via onder meer de existentiële wanhoop van Kierkegaard, het nihilisme van Nietzsche en het absurdisme van Camus in de woestijn van het denken, daar waar een onwankelbaar fundament in de vorm een transcendente macht, een God of een ander hoogste principe niet langer beschikbaar is, maar waar de wandelaar enkel altijd wordt vergezeld door zijn afgrondelijke schaduw van het niets. Deze woestijn blijkt hier niet alleen een uitdaging voor het denken, maar ook voor het lezen: Ziegelaar voert ons over een ongebaande weg door het rulle zand, wat de tocht nogal moeizaam maakt; struikelend over talloze taalfouten moet de lezer zich een weg banen door deze woestenij.

In het tweede gedeelte probeert Ziegelaar het onzegbare van een aardse mystiek (ofwel een filosofie van het parareligieuze leven) ter sprake te brengen. Uitgangspunt daarbij is de ervaring, namelijk de ervaring van de wereld en de ervaring van onze aanwezigheid in de wereld. Dat er überhaupt een wereld is, noemt Ziegelaar het bestaansmysterie; dat wij weet kunnen hebben van het bestaan van deze wereld (inclusief ons eigen bestaan) noemt hij het zijnsmysterie. Deze twee mysteries vormen het onzegbare dat Ziegelaar ter sprake poogt te brengen, zonder het mysterieuze van de mysteries daarbij te willen opheffen. (Sterker nog, deze mysteries zijn niet op te heffen, omdat ze aan de grens van ons denken raken, een grens die het denken niet kan overschrijden.)

Onze ervaringswereld is gegrondvest in de drie-eenheid van bewustzijn, ruimte en tijd – drie oorspronkelijke dimensies die als zodanig niet uit iets anders kunnen worden afgeleid, aldus Ziegelaar. Bij deze claim zijn wel wat vraagtekens te plaatsen. Dat ervaring altijd bewustzijn vooronderstelt lijkt me evident; minder evident is dat echter voor ruimte en tijd. Juist vanuit de ervaringswereld zijn ruimte en tijd niet altijd evident aanwezig. Iedere ervaring van innigheid, iedere ervaring waarbij je volledig – d.w.z. met je volle aandacht – opgaat in de ‘activiteit’ (van horen, zien, voelen, ruiken, proeven en denken), in dat wat je gewaarwordt, gaat gepaard met het oplossen van tijd en ruimte. Iedereen die tijdens het nachtelijke uur weleens vol overgave en intens gepassioneerd de liefde heeft bedreven zal het moment herkennen waarop, bijvoorbeeld tijdens het gloren van de ochtend, plotseling het besef doorbrak dat er uren verstreken moeten zijn – uren waarvan de geliefden tot op dat moment juist geen enkel besef hadden. In de innige verstrengeling van het liefdesspel leek de tijd niet te bestaan; de tijd bestond ook niet – in ieder geval niet voor de ervaring. Alleen achteraf kun je – objectiverend – constateren dat ik tijd verstreken is. Hetzelfde kan gezegd worden van de ervaring ruimte. Bewustzijn gaat dus niet altijd noodzakelijkerwijze samen met tijd en ruimte.

Niet alleen op fenomenologische maar ook op kwantumfysische gronden valt de drie-eenheid van bewustzijn, tijd en ruimte te betwijfelen. Nergens onderzoekt Ziegelaar de mogelijkheid dat tijd en ruimte ontspringen aan bewustzijn, zoals sommige kwantumfysici suggereren.

Ook de volgende uitspraak van Ziegelaar lijkt moeilijk te rijmen met zijn claim dat bewustzijn, ruimte en tijd oorspronkelijke dimensies zijn: ‘Bewustzijn, ruimte en tijd zijn pas mogelijk door de dingen. Er is een wederzijdse afhankelijkheid.’ Op z’n minst is hier sprake van een paradox, die niet als zodanig wordt benoemd, laat staan opgehelderd. Het in het citaat gestelde valt wel goed te rijmen met het inzicht van de kwantumfysica dat de dingen, ruimte en tijd pas tot aanzijn komen in een interactie en dat er dus inderdaad sprake is van een wederzijdse afhankelijkheid. (Bewustzijn speelt hier een bijzondere rol die ik nu verder buiten beschouwing laat.) Dat de kwantumfysica volledig buiten beschouwing blijft in De wandelaar is een gemiste kans.

Ook op andere plekken begeeft Ziegelaar zich op onvaste grond en gaat hij soms onderuit. Zoals wanneer hij met een volledig uit de lucht gegrepen etymologie van het woord ‘geest’ op de proppen komt.

Voor wat Ziegelaar met De wandelaar en zijn schaduw beoogt – de parareligieuze ervaring laten oplichten – maken de overbodige omwegen en uitglijders overigens niets uit. Ziegelaar is als een woeste wandelaar die zijn lezers meevoert over soms moeilijk begaanbare, stenige paden die soms nauwelijks als zodanig zijn te onderscheiden. Dan weer voert hij ons langs diepe afgronden, waar de schaduwen lang zijn, en toont hij ons de afgrondelijkheid van de ultieme realiteit. De wandelaar struikelt, raakt verstrikt in het struikgewas, dwaalt en verdwaalt, maar weet toch telkens weer zijn weg te vinden. Dan weer toont de wandelaar ons prachtige vergezichten of troont hij de lezer mee naar weelderige oases. De bespreking van enkele gedichten van Alberto Caeiro (Fernando Pessoa) vormen wat mij betreft een hoogtepunt. Hier licht de parareligieuze ervaring helder op en is de schaduw van de wandelaar kort als op het middaguur.

              Want de enige verborgen zin der dingen

              Is dat ze geen enkele verborgen zin hebben.

              (…)

              Dat de dingen echt zijn wat ze lijken te zijn

              En dat er niets te begrijpen valt.

Zoals de Bijbelse Henoch wandelde met God, zo kunnen wij wandelen met de dingen, lijkt Ziegelaar te willen zeggen. Als we wandelen met dingen dan is het onderscheid tussen ervaring en degene die ervaart opgeheven; daartoe moeten we ons openstellen voor en één worden met het bestaans- en zijnsmysterie. Dan gaan we op ‘in de ervaring van het al, van de natuur, van het goddelijke van de natuur. Het onderscheid tussen ik en wereld verdwijnt,’ lezen we in het laatste hoofdstuk van De wandelaar. Dat is waarachtig denken. Ziegelaars denken is denken in het wild – maar wel echt denken!

Hoewel ik een grote voorstander ben van het vrije wandelen, is het voor een wandelaar die tevens gids wil zijn, aan te bevelen iets meer aandacht aan de routekaart te besteden.  Enige redactie had De wandelaar dan ook zeker goed gedaan. Dat neemt niet weg dat wat Ziegelaar te zeggen heeft, van belang is en de welwillende medewandelaar zal hem als gids wel willen volgen, ook langs dwaalwegen en minder mooie routes, want de weg heeft desondanks veel fraais te bieden.

Recensie – Mohamed Mbougar Sarr: De diepst verborgen herinnering van de mens

Het mysterie van de literatuur

De diepst verborgen herinnering van de mens van Mohamed Mbougar Sarr is één van de beste romans die ik de afgelopen jaren gelezen heb. (En ik lees er toch minsten twintig per jaar.) Zelden word ik nog zo meegesleept door een boek; ik had soms zelfs moeite om het weg te leggen. Sarr groeide op in Senegal en studeerde literatuur en filosofie in Parijs, waar hij nog steeds woont.

De diepst verborgen herinnering van de mens vertelt het verhaal van een zoektocht: de jonge schrijver Diégane Latyr Faye is sinds zijn jeugd gefascineerd door een boek met de titel Het labyrint der onmenselijkheid, geschreven door een zekere T.C. Elimane, die net als Faye opgroeide in het Afrikaanse Senegal. Het boek is echter nergens meer verkrijgbaar en ook de schrijver ervan is onvindbaar – sterker nog, sinds Het labyrint der onmenselijkheid kort na verschijnen wegens vermeend plagiaat uit de handel werd gehaald, heeft vrijwel niemand meer iets van Elimane vernomen. Bij toeval krijgt Diégane het boek in handen, waarop hij besluit op zoek te gaan naar de auteur of in ieder geval naar zijn geschiedenis. Door deze opzet leest het verhaal een beetje als een detective. Maar dat is zeker niet het enige waarom De diepst verborgen herinnering van de mens een geweldig boek is.

Ten eerste is daar de stijl, die is weergaloos! Zeker in deze tijd waarin korte zinnen – in ieder geval in de Nederlandse literatuur, of wat daar voor door moet gaan – de stijl dicteren, zijn de soms paginalange zinnen van Sarr een verademing. Het zijn juist deze als een boog gespannen zinnen die mij als een pijl door het boek heen jaagden. Er zit ritme in de zinnen, maar ook melodie en kleur. Een willekeurig voorbeeld:

Daarna bespraken we uitgebreid de soms aangename, soms vernederende ambiguïteiten van onze positie als Afrikaanse (of van origine Afrikaanse) schrijvers in de Franse literaire wereld. Enigszins onterecht, en vooral omdat ze een voor de hand liggend, gemakkelijk doelwit vormden, richtten we onze pijlen op onze voorgangers, de vorige generaties Afrikaanse auteurs, die we verantwoordelijk hielden voor het onheil dat ons trof: het gevoel dat we niet in staat waren of het recht niet hadden (dat kwam op hetzelfde neer) te vertellen wat onze afkomst was; daarna betichtten we hen ervan dat ze zich hadden laten vangen door de blik van anderen, een blik als een wespennest, een blik als een vangnet, een blik als een moeras, een blik als een valstrik, een blik die van hen verlangde dat ze authentiek – dat wil zeggen: anders – waren, maar tegelijkertijd ook net als zij – dat wil zeggen: begrijpelijk (of nog anders gezegd: verkoopbaar in het westerse milieu waarin ze zich bevonden).

Wanneer, zoals hierboven, Diégane aan het woord is, is de stijl bij vlagen lyrisch; soms echter is de stijl zakelijker, afhankelijk van wie er op dat moment aan het woord is, want er zijn verschillende stemmen in het boek, elk (tot op zekere hoogte) met een eigen klankkleur.

Dat brengt me op een ander sterk aspect van het boek, namelijk de opzet, de structuur. Hoewel Diégane de centrale verteller in het boek is, is hij zeker niet de enige. Het boek laat zich lezen als een meerkleurig mozaïek (een beetje zoals de kaft van de Nederlandse uitgave), waarbij de stukjes weliswaar van kleur verschillen en sommige stukjes misschien wat belangrijker lijken dan andere, maar die toch samen één samenhangend beeld vormen. De belangrijkste verteller naast Faye is Siga D., ook wel de Spinnenmoeder genoemd, omdat zij zich als een spin in het centrum van het web van het verhaal bevindt. Zij blijkt een nicht (of is het toch een halfzus?) te zijn van de mysterieuze Elimane en zij is het die Faye haar exemplaar van Het labyrint der onmenselijkheid geeft. Dan is er nog een Haïtiaanse dichteres die in Zuid-Amerika een relatie heeft gehad met Elimane en haar verhaal aan Siga D. vertelt. Daarnaast krijgen we recensies van Het labyrint der onmenselijkheid te lezen, een interview, dagboekfragmenten en zogenaamde biografemen (korte biografische beschrijvingen). Dit alles maakt dat je als lezer als het ware zelf deelneemt aan Fayes onderzoek naar de mysterieuze schrijver Elimane; het hele boek is eigenlijk een getuigenis van zijn bevindingen die Diégane aflegt aan de lezer. Al deze losse mozaïekstukjes kun je zelf als lezer samenvoegen, waardoor er langzaam maar zeker een beeld ontstaat van Elimane. Dat beeld blijft echter fragmentarisch; het mozaïek wordt nooit een schilderij, laat staan een foto.

Tot slot is er de thematiek van het boek. Dat Sarrs roman vooral draait om literatuur en wat literatuur vermag is evident. Maar bovenal toont de roman de lezer het mysterie van de literatuur en wil het boek de lezer aansporen zich over te geven aan dit mysterie, zonder het meteen te willen ophelderen en verklaren. Het is juist het mysterie dat de literatuur alsook deze prachtige roman verheft en doet oplichten als een verre ster in de diepste duisternis. Op de achtergrond is ook de zoektocht naar de eigen stem en identiteit van naar Europa geëmigreerde, intellectuele Afrikanen een niet onbeduidend thema in deze roman. Kun je schrijven in een Europese taal, Europeaan zijn, zonder verraad te plegen aan je eigen, Afrikaanse cultuur? Sarr laat beide culturen naast elkaar bestaan in zijn boek en veroordeelt de een noch de ander, maar kritiekloos is hij evenmin. Ook in dit opzicht is het boek uitstekend in balans.

De diepst verborgen herinnering van de mens is zo’n boek waarin alles lijkt te kloppen, waarin alle fragmenten uiteindelijk precies voldoende beeld opleveren om er eenheid in te zien, zodat ook vorm en inhoud een harmonieuze eenheid vormen.

Waar Sarr het personage Elimane ergens in het boek een ‘zwarte Rimbaud’ noemt, zouden we hem we hem zelf wellicht als een Afrikaanse Couperus kunnen betitelen – al heeft hij zo’n vergelijking eigenlijk helemaal niet nodig.

Recensie – Karl Ove Knausgard: Mijn strijd, deel 6: Vrouw

Recensie – Karl Ove Knausgård: Mijn Strijd, deel 6: Vrouw

De lezer die afgaat op de titel en achterflap van het laatste deel van Karl Ove Knaugårds romancyclus Mijn Strijd en meer van hetzelfde als hij in de voorgaande delen kreeg voorgeschoteld verwacht, zal bedrogen uitkomen. Weliswaar begint Vrouw –de misleidende titel die de Nederlandse uitgever dit laatste deel heeft meegegeven – geheel zoals de trouwe lezers en fans van Knausgård ondertussen gewend zijn met de dagelijkse beslommeringen van de schrijver, maar dat is van (relatief) korte duur. (Het boek beslaat zo’n 1100 pagina’s!)

In de eerste pakweg 350 bladzijden staat vooral het proces dat Knaugårds oom Gunnar dreigt aan te spannen bij het verschijnen van het eerste deel van Mijn Strijd centraal en dan vooral de angst en vertwijfeling die die dreiging bij Knausgård teweeg brengen.

Dan volgt een lijvig middendeel dat de titel De naam en het getal heeft meegekregen. Het verhaal gaat dan over in een aaneenschakeling van vaak diepgravende essays die naadloos in elkaar overlopen. Eerst krijgen we een korte verhandeling over “de naam” voorgeschoteld. In een razend tempo worden de belangrijkste werken van grootheden als Marcel Proust, Thomas Mann, James Joyce, Knut Hamsun aangehaald – Knausgård kent zijn klassiekers. Vervolgens trakteert de schrijver ons op een pagina’s lange analyse van het gedicht Stretto van de Duitstalige Joodse dichter Paul Celan. Hoewel Knausgård zich eerst beklaagt dat hem het inzicht in poëzie niet gegeven is, mag zijn analyse van Stretto briljant genoemd worden – temeer daar dit gedicht tot de buitengewoon hermetische poëzie gerekend mag worden. Valse bescheidenheid van de auteur? Celan, zo laat Knausgård zien, probeert uitdrukking te geven aan de afwezigheid, de leegte die de consequentie is van de holocaust. Maar die leegte valt niet in woorden uit te drukken. Celans gedicht is een gestameld demonstratief zwijgen. In flarden en fragmenten probeert Celan het “niet” van de ver-niet-iging die de holocaust behelst ter sprake te brengen.

Van de holocaust is het een kleine stap naar de grote aanstichter ervan, Adolf Hitler. Wat volgt zijn zo’n 350 pagina’s over Hitler, waarbij veelvuldig geciteerd wordt uit Mein Kampf. Knausgård besteedt veel aandacht aan Hitlers jeugd. De jonge Adolf wordt beschreven als een keurig nette, eenzame en vooral gevoelige jongeman die geen raad weet met zijn gevoelens. Knausgårds focus op het gevoelsleven van Hitler lijkt goed aan te sluiten bij zijn literatuuropvatting zoals dat uit de gehele Mijn Strijd serie blijkt en waarin zijn eigen gevoelsleven centraal staat. In het laatste deel categoriseert hij zichzelf als “nieuwe sentimentalist”. Hitlers latere boosaardigheid en jodenhaat als hij eenmaal rijkskanselier is, zou te verklaren zijn uit een ressentiment dat een gevolg is van zijn onderdrukte gevoelsleven. Knausgård analyseert, filosofeert en psychologiseert er lustig op los; daarbij maakt hij talloze uitstapjes naar bekende en minder bekende schrijvers en filosofen. Behalve geschiedschrijvers als Ian Kershaw en Victor Klemperer komen bijvoorbeeld ook Jack London, René Girard, Martin Heidegger en Hannah Arendt ter sprake. Hoewel Knausgård geen geheim maakt van zijn grote belezenheid kan hij mijns inziens niet beschuldigd worden van name-dropping. Zijn analyses snijden hout en zetten aan tot denken. Voor de lezers van zijn boek die minder belezen zijn zou het essayistisch middenstuk echter wel storend kunnen zijn, omdat de vele namen van schrijvers en filosofen hem dan waarschijnlijk weinig tot niets zeggen. Knausgårds analyse draait in de kern om een psychologie van ik en jij, die samen een wij kunnen vormen. Maar tegenover dat wij kan zich ook een zij vormen, de nazi’s tegenover de joden. En wanneer dat zij gereduceerd wordt tot een het kan zich zoiets verschrikkelijks als de holocaust voordoen.

Uiteindelijk kan de lezer die ik aan het begin noemde en voor wie het essayistisch proza in het middenstuk van de roman niet zo nodig had gehoeven, zijn hart ophalen aan het vervolg van de soap die Knausgårds leven voor de liefhebber van zijn romancyclus ondertussen is geworden.  We duiken weer volop in de dagelijkse beslommeringen van de auteur. Die zijn behoorlijk heftig en emotioneel als zijn vrouw Linda in een diepe depressie geraakt en wekenlang haar bed nauwelijks uitkomt. Ondertussen wil Knausgård zijn romancyclus afronden – hij heeft een deadline voor het laatste deel – maar van schrijven komt natuurlijk weinig als je ineens alle verantwoordelijkheid voor drie kinderen en een vrouw, die zich tijdens haar manische periode ook veelvuldig  als kind gedraagt, op je moet nemen. Hier wordt de roman bij vlagen schaamteloos sentimenteel – de schrijver moet huilen, herhaalt talloze keren tegen zijn vrouw dat hij van haar houdt en dat alles goedkomt. Hier zou ik zijn afgehaakt als zijn persoonlijke relaas niet zo goed geschreven was. Bij Knausgård gaat het om de uitdrukking van emoties, om de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie, om deze uitdrukking van Willem Kloos maar eens te gebruiken, en om authenticiteit. In deze expressie slaagt hij wonderwel door een consequent volgehouden stijl – zinnen die een zodanige cadans lijken te hebben dat je als lezer wel moet blijven lezen. Weliswaar zal de authenticiteit veel lezers aanspreken omdat zij die herkennen uit hun eigen alledaagse leven, maar alledaagse authenticiteit maakt nog geen goede literatuur. Maar wanneer de authentieke schaamteloosheid van de schrijver het personage dat hij zelf is verheft, zowel hemzelf als de lezer tot denken aanzet en zijn alledaagse wereld zo een nieuwe, diepere betekenis geeft én als dat dan ook nog gebeurt in prachtig proza, dan kan goede literatuur ontstaan. Als roman is Vrouw eigenlijk mislukt – want vlees noch vis, geen fictie en ook geen zuiver essay – maar desalniettemin is dit laatste deel van Mijn Strijd literatuur van de bovenste plank.